Posts tonen met het label Maatschappij. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Maatschappij. Alle posts tonen

zaterdag 12 februari 2011

Middenklasse

Vrijwel universeel is men het erover eens dat tot de middenklasse diegenen behoren die op duurzame wijze en van generatie op generatie gemakkelijk in al hun behoeften op het gebied van levensmiddelen, huisvesting en vervoer kunnen voorzien en die ook consequent in staat en bereid zijn geld voor investeringen in toekomstige groei te lenen (en terug te betalen), spaartegoeden en kapitaal op te bouwen, hun kinderen iedere vorm van onderwijs te laten volgen en voldoende middelen bijeen te brengen om een bedrijf op te zetten, een huis uit te breiden of een voertuig te kopen zonder dat de eigen levensstandaard daaraan moet worden opgeofferd.

Bron: SAUNDERS, D., De trek naar de stad, p. 334

maandag 6 december 2010

Over radicalisering

Wanneer een maatschappij complexer wordt, neemt de behoefte aan radicale simplificaties navenant toe.

Jakob Burckhardt

donderdag 10 juni 2010

Vrijheid is een volle diepvriezer

In de Westerse optiek wordt vrijheid als een absolute verdienste beschouwd. Men kan niet ‘halfvrij’ zijn zoals men niet ‘halfzwanger’ kan zijn.
Toch kan vrijheid relatief zijn en vele vormen aannemen. We moeten af van de starre, eendimensionale en ideologische invulling van het woord ‘vrijheid’ die Westerlingen eraan geven.

Het begrip ‘vrijheid van de mens’ is geen enkelvoudige of samengebundelde toestand, maar bestaat uit verschillende lagen. Die steunen op elkaar zoals de menselijke behoeften in de piramide van Maslow: de realisatie van de onderste laag is voorwaarde voor de realisatie van de volgende laag en zo verder.

1. Vrijheid van de zorg om te overleven
Aan de basis van de menselijke vrijheid ligt vrij zijn van gebrek. Een mens die zichzelf of zijn gezin niet van voldoende voedsel kan voorzien kan onmogelijk vrij zijn. Hongersnood is schadelijker voor vrijheid dan een politiek gesloten samenleving. Voor mensen die worstelen om in leven te blijven betekent ‘vrijheid’ in de eerste plaats bevrijd zijn van de dagelijkse zorg om het bestaan.


2. Vrijheid van bedreiging of onveiligheid
Je kan maar van eender welke vrijheid genieten als je erin slaagt in leven te blijven. Elke maatschappij die meer veiligheid creëert verbetert de reële en praktische vrijheden die mensen kunnen genieten. Als de ‘bevrijding’ van een tirannieke heerser een meer onveilige samenleving creëert (zoals in Irak) voelen de mensen zich helemaal niet vrijer, ook al was het vorige regime meedogenloos en onderdrukkend.

3. Vrijheid om het eigen werk te kiezen
De vrijheid om je eigen werk te kiezen vinden de meeste westerlingen vanzelfsprekend. Maar voor de Industriële Revolutie hadden de meeste Europeanen geen andere keuze dan als bijna-lijfeigenen voor hun feodale pachtheren te blijven werken. De Industriële Revolutie was zo bevrijdend voor de massa in Europa omdat ze mensen in staat stelde zich te bevrijden van dit juk.

In veel landen over de hele wereld kennen mensen deze vrijheid nog maar pas. De vrije markteconomie betekent voor veel mensen een enorme bevrijding. De soms verschrikkelijke werkomstandigheden in de bedrijven vinden ze in veel gevallen nog beter dan de dwangbuis van het werk op het platteland. Ze verwerven er ook een grotere persoonlijke en sociale vrijheid mee.

4. Vrijheid van willekeur of gerechtelijke vrijheid
Zelfs in Westerse samenlevingen is het een betrekkelijk nieuw recht dat mensen niet willekeurig kunnen gearresteerd of opgesloten worden. In de meeste moderne landen is het recht onaantastbaar. Rule of law betekent dat niemand, ook niet de machthebbers, boven de wet staat. Dit geldt in ieder geval in theorie, maar het is vaak ook de praktijk.
Op dat gebied hebben veel niet-westerse landen nog een min of meer lange weg af te leggen.

5. Vrijheid van denken
Dit betekent dat mensen vrij zijn om zich te informeren, en de bronnen te raadplegen die men zelf kiest. Een ongehinderde stroom van informatie-uitwisseling bevordert de intellectuele ontwikkeling van een land. In politiek gesloten samenlevingen is op dat gebied nog veel werk aan de winkel.

Vrijheid van denken mag niet verward worden met de vrijheid van meningsuiting. In de Westerse samenlevingen is vrijheid van meningsuiting dan wel een van de sterkste punten, toch is die vrijheid er niet absoluut.

6. Vrijheid om de eigen leiders te kiezen
Alle samenlevingen zouden moeten streven naar de vrijheid om de eigen leiders te kiezen. Het voordeel hiervan is dat een leider alleen in functie kan blijven mits expliciete instemming van het volk. Een haastige en overijlde overgang naar democratie kan zonder zorgvuldige voorbereiding echter verkeerd uitpakken. En een verkozen leider is niet altijd de beste keuze voor een samenleving.

Naar MAHBUBANI, K., De eeuw van Azië. p. 151-160.

woensdag 31 maart 2010

Morele ondernemers

Morele ondernemers zijn personen die hun maatschappelijke positie gebruiken om morele principes aan anderen op te leggen. Voor een morele ondernemer is gebieden en verbieden een doel op zichzelf. Er moet ge- en verboden worden en er moeten strenge straffen opgelegd worden voor het overtreden van de ge- en verboden.

Morele ondernemers treft men onder wereldlijke en kerkelijke leiders aan. De machtsmiddelen van kerkelijke morele ondernemers zijn anders dan die van wereldlijke. Zij kunnen niet iemand laten arresteren, maar ze hebben een ander machtsmiddel. Zowel door het onthouden als schenken van vergiffenis kunnen ze macht over hun ondergeschikten uitoefenen.
Voor morele ondernemers is van primair belang dat een gedrag moet of niet mag. De schade die door een ge- of verbod wordt veroorzaakt is daarbij van secundair belang.
M.b.t. de drugsbestrijding is het van primair belang dat druggebruik verboden is. Dat er zware straffen op staan. Dat er veel druggebruikers of -handelaren in de gevangenis zitten. En dat er belangrijke overheidsinstellingen met drugbestrijding zijn belast. Minder belangrijk is of het gebruik van drugs door al die maatregelen afneemt. En het aantal slachtoffers van repressief drugbeleid doet helemaal niet ter zake.
Het aantal slachtoffers en hun lijden (weze het abortus, druggebruik, euthanasie) is voor kerkelijke of wereldlijke ondernemers van ondergeschikt belang. Het belangrijkste is dat het ofwel moet of niet mag.

Uit: TELLEGEN, E., Het utopisme van de drugsbestrijding. p. 237-239.

woensdag 10 februari 2010

Mijn huis is een gevangenis

vrijdag 19 juni 2009

Ecologisme

Aan de Verlichting of Moderniteit hebben we een aantal positieve verworvenheden te danken: rationaliteit, vrijheid, individuele autonomie, vooruitgang, universele rechten, emancipatie, wetenschap en techniek.
De keerzijde hiervan vinden we in een expansieve ‘economische’ benadering van dingen, het ontkennen van het bestaan van grenzen, ‘creatie’ van schaarste, het aanmoedigen van zogenaamd oneindige behoeften.

Volgens ecologisten zijn die negatieve kanten geen vervelend of tijdelijk bijverschijnsel, maar een structureel gevolg van de manier waarop het begrip vooruitgang wordt ingevuld. Die niet-duurzame ontwikkeling leidt op termijn tot minder vrijheid, minder rechtvaardigheid, minder welvaart. In tegenstelling tot de karikatuur die tegenstanders van hen maken zijn ecologisten niet tegen vooruitgang, maar ze staan wel kritisch tegenover de gangbare invulling van dat begrip. Het ecologisme wil de moderne waarden redden en verder ontwikkelen. Het situeert zich dus, samen met en na het liberalisme en het socialisme, in de lijn van het Verlichtingsdenken.

Grenzen aan de groei is het kernidee van het ecologisme. In een begrensde wereld kun je niet onbegrensd groeien. We vragen meer van de aarde dan die kan geven, en bedreigen daardoor onszelf en de volgende generaties. De structurele overbevraging van de planeet leidt tot oncontroleerbare en gevaarlijke natuurlijke ontwikkelingen. Vooruitgangsdenken dat geen rekening houdt met de grenzen aan mens en milieu zal juist minder vooruitgang en meer onrecht brengen. Een goede omgang met de ecologische grenzen is dan ook een voorwaarde voor de voortzetting van het Verlichtingsproces.

De ecologische crisis is een rechtvaardigheidsprobleem en een sociale kwestie.
De gangbare economie creëert een enorme sociale en ecologische schuld die wordt doorgeschoven naar de volgende generaties, het minder welvarende deel van de wereldbevolking en het milieu.
Steeds meer rapporten wijzen erop dat de klimaatverandering wereldwijd vooral de armsten treft, terwijl zij de kleinste verantwoordelijkheid dragen voor het probleem. Luchtvervuiling treft iedereen en lijkt dus democratisch, maar kwetsbare mensen hebben er meer last van dan anderen.

De grondhouding van het ecologisme is een morele houding. Ieder individu is verantwoordelijk voor het leefmilieu van de andere, nu en in de toekomst. Ook al staat de zelfbepaling van de individuele mens centraal in het ecologische denken, er is ook het besef dat de mens geen atoom is, afgesloten van de wereld om hem heen. De mens is verbonden met andere mensen en met de natuurlijke omgeving.

Groene pijlers:

  1. De duurzame samenleving. Deze steunt op een ontwikkelingsmodel dat de behoeften van de huidige generaties bevredigt zonder die van de toekomstige generaties in het gedrang te brengen. Het ecologisme staat voor ‘harde’ duurzaamheid. Het komt erop aan de economische ontwikkeling binnen de ecologische grenzen te krijgen en te houden. Er is niet alleen nood aan efficiëntie maar aan sufficiëntie, een economie van het genoeg in plaats van groei.

  2. Sociale rechtvaardigheid. De ecologische crisis is in de eerste plaats een sociaal vraagstuk. Overal ter wereld zijn de meest kwetsbare mensen het grootste slachtoffer van de milieuvervuiling die bovenproportioneel is veroorzaakt door de groep van rijksten. Een economie die geen ecologische schuld opbouwt laat meer ruimte en geld voor sociale rechtvaardigheid. Het is aan de overheid om de sociale en ecologische rechten van de burgers te garanderen.

  3. Democratische besluitvorming. Er bestaat niet zoiets als een blauwdruk van de ideale ‘duurzame’ maatschappij, en ook niet van de juiste weg naar die maatschappij. Iedereen moet deel kunnen hebben aan de besluitvorming over de toekomstige maatschappij. Maar de zwakken en kwetsbaren in de maatschappij hebben niet alleen meer te lijden onder ecologische problemen, ze hebben er ook de minste invloed op. Positieve ecologische voorwaarden kunnen ervoor zorgen dat alle mensen hun burgerschap volwaardig kunnen invullen.

  4. Mondiale economische rechtvaardigheid. Twintig procent van de wereldbevolking gebruikt 80 procent van de grondstoffen. Dit scherpe rechtvaardigheidsprobleem uit zich in een toenemend aantal ecologische conflicten. De onbegrensde levensstijl van een minderheid leidt rechtstreeks tot de inperking van de levenskansen van een mondiale meerderheid. De economische ruil is bovendien ongelijk: de lusten en lasten van de economische keten worden ongelijk verdeeld over de wereld. Het gaat over scherp verdelingsvraagstuk. Alleen een perspectief op ecologische rechtvaardigheid voor iedereen op deze planeet kan volgens de ecologisten leiden tot een veiligere wereld.

Nu milieu-issues in de loop van de afgelopen decennia door nagenoeg alle politieke stromingen werden overgenomen stellen velen zich de vraag of de groenen nog nodig zijn. Hun antwoord is dat voorstellen voor milieumaatregelen binnen het gangbare kader de problemen niet oplossen. Het ecologisme stelt zich niet tevreden met vormen van ‘milieupolitiek’ maar gaat ervan uit dat er structurele wijzigingen nodig zijn in de economische en sociale verhoudingen.


Bron: GEYSELS, J. & J. MERTENS, Ecologisme. De vrijheid van grenzen. - In: SANDERS, L. & C. DEVOS, Politieke ideologieën in Vlaanderen. p. 383-441.

donderdag 18 juni 2009

Nationalisme

Het kernprogramma van het nationalisme is het verwerven en bewaren van nationale autonomie, eenheid en identiteit van een bevolking van wie een aantal leden van oordeel is dat ze een natie of potentiële natie vormen (A. Smith).
Voor nationalisten is de natie of ‘het volk’ een primaire want ‘natuurlijke’ sociale vorm waaraan alle andere sociale verbanden ondergeschikt zijn. Alleen in natieverband is een normaal sociaal leven mogelijk.

Dit is in tegenspraak met de hedendaagse wetenschappelijke opvatting dat naties geen natuurlijke samenlevingsverbanden zijn, maar sociale constructies die ontstonden binnen welbepaalde politieke, culturele en economische condities. Naties of natiestaten zijn immers een relatief nieuw verschijnsel. Ze zijn in Europa ontstaan na de val van het Ancien Régime. De vorming van natiestaten wordt algemeen beschouwd als een van de belangrijkste aspecten van het moderniseringsproces. De natiestaat is nog altijd de basis voor de internationale betrekkingen overal ter wereld.
Sommigen bestempelen het nationalisme dan ook als een politieke religie.

Het nationalisme is geen welomlijnde doctrine. Nationalistische stromingen vertonen zeer uiteenlopende gezichten. Toch huldigt elk nationalisme over alle verschillen heen zes axioma’s:
1. De wereld bestaat uit naties, elk met een eigen karakter, lotsbestemming en ‘geboorteland’. Vaak wordt dit gekoppeld aan een ‘voorvaderlijk land’ met een glorierijke geschiedenis, bevolkt met nationale helden.
2. Een vredevolle en rechtvaardige wereld kan alleen gevestigd zijn op autonome en territoriaal beveiligde naties.
3. Elke natie verlangt naar zelfexpressie en autonomie. Dit vertaalt zich in een nationale identiteit en een gedeelde historische cultuur, die soms opnieuw ‘tot leven gewekt’ en ‘hersteld’ moet worden als ze door omstandigheden verloren is gegaan.
4. De natie is de enige bron van politieke macht. Het doel is zelfbestuur van een volk.
5. De nationale loyaliteit gaat boven alle andere loyaliteiten. Nationalisme houdt dus altijd een vorm van patriottisme in.
6. Individuen moeten zich identificeren met en bekennen tot een natie om werkelijk vrij te kunnen zijn.

Nationalisme betrekt individuen dus bij de natie, voor zover ze horen bij het ‘eigen volk’ en een gedeelde geschiedenis hebben. Tegelijk worden culturele minderheden uit de nationale cultuur uitgesloten.
In het geloof dat de mens zich maar in verbondenheid met de gemeenschap kan ontplooien zijn nationalisten altijd ook communautaristen. Dit staat haaks op het libertarisme, waarmee nationalisten altijd in zeer gespannen verhouding leven.
Nationalisme geeft ook geen antwoord op belangrijke sociale en politieke kwesties als sociale rechtvaardigheid, de verdeling van goederen en conflictbeheersing.

Men onderscheidt twee soorten nationalisme:

  • Het organisch nationalisme streeft naar etnische naties op basis van zogenaamd objectieve factoren als volksaard, cultuur en vooral taal. Individuen behoren altijd en overal tot de natie waarin ze geboren zijn. Het volk is een organisch lichaam van ras- en cultuurgenoten waar voor niet-volksgenoten en natieverdelende elementen geen plaats is.
  • Het voluntaristisch nationalisme gaat uit van de civiele natie. Het is de ‘volkswil’ die de basis vormt van de natiestaat. Burgers hebben een zekere vrijheid om in en uit de natie te treden en er heerst een grote mate van culturele vrijheid.


Bron: DE WEVER, B. & A. VRINTS, Vlaams-nationalisme. In: SANDERS, L. & C. DEVOS, Politieke ideologieën in Vlaanderen, p. 321-379.

Aansluitend:

woensdag 17 juni 2009

Personalisme

Het personalisme groeide in het interbellum uit de confrontatie van de katholieke wereld met het liberalisme, het socialisme en het fascisme. Volgens de katholieken van deze periode werd de mens daarin ondergeschikt gemaakt aan de ideologie. Het personalisme noemt zichzelf dan ook geen ideologie, maar een filosofie.
Katholieke denkers en intellectuelen probeerden bovendien aan hun geloof maatschappelijke en politieke draagwijdte te geven in een moderne samenleving.

Het personalisme gaat uit van de erkenning van de mens als innerlijk vrij en scheppend wezen. Hij is geen louter product van de omgeving en van conditionering, maar in staat zelf te kiezen en zich verantwoordelijk te voelen voor zijn keuze.
Deze vrijheid is geen individuele vrijheid maar onlosmakelijk verbonden met de vrijheid van anderen. Echte vrijheid kan alleen maar bestaan binnen een reeds bestaande morele gemeenschap. Dit vormt dan ook de basis voor solidariteit en het nemen van verantwoordelijkheid.

De mens kan echter niet worden herleid tot een deel van de gemeenschap, want daarvoor beschikt hij over een te grote vrijheid. Hij kan ook niet volledig als individu loskomen van die gemeenschap, want hij beschikt maar over die vrijheid dankzij de gemeenschap.

Zodoende zijn er duidelijke parallellen met het communautarisme. Personalisten delen met communautaristen de opvatting dat mensen niet zonder meer als individu kunnen kiezen om al dan niet deel te nemen en loyaal te zijn met een gemeenschappen. Deel uitmaken van een gemeenschap is essentieel voor het goede leven. De gemeenschap staat echter niet boven de mens maar is er voor de mens.

Het personalisme kenmerkt zich verder door antimaterialisme. Het goede leven reikt verder dan de vervulling van materiele noden. Zingeving maakt er essentieel deel van uit.

Voor het personalisme is de staat geen absoluut politiek kader, maar alleen een middel om politieke doelen te bereiken. De overheid moet geen taken willen overnemen die evengoed door het middenveld kunnen georganiseerd worden. Dit herkennen we bijvoorbeeld in de keuze voor een vrij onderwijsnet, de vrije (confessionele) zorgsector.

Het personalisme heeft als troef dat het mensen uit verschillende sociale klassen aanspreekt. Vandaar dat de christendemocratische partijen zich volkspartijen (kunnen) noemen. De essentie van het personalisme is niet op strijd maar op verzoening gericht. Dit heeft als gevolg dat de christendemocratische partijen zich steeds richten op het brengen van sociaaleconomische, maatschappelijke en politieke stabiliteit.


Bron: BEKE, W., Christendemocratie. Van christelijke naar Vlaamse volkspartij. - In: SANDERS, . & C. DEVOS, Politieke ideologieën in Vlaanderen, p. 239-269.

dinsdag 16 juni 2009

Socialisme

Het socialisme is waarschijnlijk de meest uitvoerige en systematische ideologie, maar tegelijk ook een ingewikkelde en heterogene stroming.
In het begin van de 19e eeuw ontstond de overtuiging dat de combinatie van de opkomende industrialisatie, concurrentie tussen bedrijven en een ongebreidelde concentratie van rijkdommen in steeds minder handen, noodzakelijk moest leiden tot crises, uitbuiting en toenemende armoede van steeds meer mensen. Dit systeem moest vervangen worden door een ander, waarbij de productie en de ruil van goederen zouden gebeuren op een wijze die overeenstemt met het beginsel van de gelijkwaardigheid van mensen.

Gelijkheid of gelijkwaardigheid van mensen is het kernpunt van het socialisme. De socialistische strijdpunten richten zich dan ook altijd op het wegwerken van ongelijkheid en het bevorderen van gelijkheid tussen mensen. Sociale en reële gelijkheid betekenen: gelijke kansen en sociale gerechtigheid.
Voor het socialisme gaat gelijkheid aan vrijheid vooraf. Alleen in een samenleving waarin individuen gelijke kansen aangeboden krijgen kunnen zij het recht op zelfverwezenlijking en op vrijheid uitoefenen.

Socialisten gaan ervan uit dat de menselijke natuur niet vastligt bij de geboorte. Het gedrag van mensen, zij het gewenst of ongewenst, is eerder sociaal geconditioneerd dan natuurlijk. De samenleving en de plaats die een individu er inneemt zijn (mede)bepalend voor zijn verdere ontwikkeling. Individuele lotgevallen (succes, werkloosheid, armoede, …) zijn mee veroorzaakt door de gevolgen van onderliggende structurele problemen in de maatschappij.
Ongelijkheid is dan ook het resultaat van de ongelijke behandeling van individuen door de samenleving. Het socialisme streeft dus naar sociale gerechtigheid voor de minst begunstigden om aldus de sociale ongelijkheid tussen de mensen geleidelijk uit te schakelen. Dit impliceert dat verschillen in inkomen, eigendom, vermogen het onderwerp vormen van herverdeling.
Vrijheid en/of onderdrukking is het resultaat van de wijze waarop de samenleving georganiseerd is. Vrijheid van iedereen is slechts mogelijk binnen een klasseloze samenleving. In een samenleving waarin de traditionele klassen verdwijnen, vormt aandacht voor de sociaal zwakkeren en kwetsbaren een van de karakteristieken van het huidige socialistische gedachtegoed.
Tenslotte staat het socialisme voor internationale solidariteit. De scheve machtsverhoudingen tussen Noord en Zuid moeten recht getrokken worden. Het doel is gelijke rechten voor alle etnische groepen en naties.

Het socialisme kent twee stromingen: het revolutionair socialisme en het reformistisch socialisme of de sociaaldemocratie.
Deze werden vooraf gegaan door het utopisch socialisme. In de loop van de 19e eeuw werden al radicale en zelfs revolutionaire voorstellen tot alternatieve maatschappijordeningen geformuleerd, die echter geen succes hadden en nooit geleid hebben tot een omvattend, coherent en realistisch politiek programma.

  • Het revolutionair socialisme vindt zijn filosofische grondslag in het historisch materialisme van Karl Marx en Friedrich Engels. Zij stelden dat de hele samenleving bepaald is door materiële omstandigheden, die de relaties bepalen die mensen met elkaar aangaan om hun basisbehoeften te vervullen. Klassenstrijd en klassentegenstelling zijn factoren die de loop der geschiedenis bepalen en dus niet alleen eigen aan het kapitalisme. Het einde van de geschiedenis is een klasseloze en staatloze maatschappij, waarbij de productie van welvaart collectief bezit is en alle leden van de maatschappij vrij en gelijk zijn. De overgang van een kapitalistische klassenmaatschappij naar een klasseloze maatschappij gebeurt door de revolutie van het proletariaat. Het wereldwijde failliet van het communisme heeft deze stroming de nek omgedraaid.
  • Het reformistische socialisme of sociaaldemocratie doet afstand van de gewelddadige revolutie om socialistische doelstellingen te realiseren. De emancipatiestrijd van de arbeiders wordt ook niet meer louter materialistisch beschouwd. Vandaar de term ‘ethisch gefundeerd socialisme’.
    De sociaaldemocratie probeert het gelijkheidsdoel binnen een pluralistisch democratisch bestel te bewerken. Ook een kapitalistische economische ordening is in staat om in de toekomst aan allen, ook aan arbeiders, welstand te bieden.
    Als antwoord op de crisis van de sociaaldemocratie werkte Anthony Giddens een ‘Derde Weg’ uit. Onder de vlag van een sociale investeringsstaat heroriënteerde de sociaaldemocratie zich op de herverdeling van opportuniteiten en kansen in plaats van gelijkheid in inkomen en resultaten. Uitsluiting als bron van ongelijkheid moet bestreden worden door het aanbieden van jobs die moeten leiden tot inclusie.

De maatschappelijke context is het socialisme niet goed gezind. In veel landen hebben de sociaaldemocraten het vandaag moeilijk om hun kernideeën en objectieven naar de hedendaagse samenleving te vertalen. De contented majority heeft er minder boodschap aan, de zwakke groepen voelen zich te bedreigd en zoeken hun heil bij (extreem)rechts. Het moderne socialisme heeft moeite om een stabiele en eensgezinde positie in te nemen in de vraagstukken van de nieuwe sociaal-culturele breuklijn tussen hoger en laaggeschoolde mensen.

Bron: DEVOS, C. & T. BOUCKE, Socialisme. Op zoek naar de maakbare samenleving. – In: SANDERS, . & C. DEVOS, Politieke ideologieën in Vlaanderen, p. 143 – 235.

maandag 15 juni 2009

Liberalisme

Het liberalisme is de oudste politieke ideologie in het Westen.
De kern van het liberalisme is het belang van de individuele keuzevrijheid. Mensen moeten vrij zijn om te kiezen hoe zij hun eigen leven willen leiden. Liberalen doen geen uitspraak over de inhoud van de keuzes die mensen maken of over welke van de verschillende manieren van leven verkieslijker is. Het beste leven is het zelfgekozen leven.
De garantie van de individuele keuzevrijheid vormt voor liberalen dan ook het belangrijkste politieke strijdpunt.

De samenleving dient zo georganiseerd te zijn dat mensen de vrijheid hebben hun eigen doelen te stellen en te realiseren. De enige reden waarom men, tegen zijn zin, rechtmatig macht kan uitoefenen over enig lid van een beschaafde samenleving is de zorg dat anderen geen schade kan worden toegebracht. Een dergelijke samenleving zal rijker en welvarender worden en daardoor ook meer middelen hebben om zaken te realiseren waarvan iedereen profiteert.
Een liberale samenleving kenmerkt zich dus door pluralisme en tolerantie binnen een rechtstaat die levensbeschouwelijk neutraal is.

Deze kenmerken kunnen alleen verwezenlijkt worden binnen een democratie en een vrije markteconomie. De markt is daarbij geen doel op zich maar een middel om de individuele vrijheid te garanderen. Daarvoor is een goed functionerende overheid nodig. Die moet een wettelijk kader opzetten, de naleving van contracten kunnen afdwingen en de vrije concurrentie garanderen door monopolievorming tegen te gaan. De overheid dient zich echter te beperken tot het scheppen van de voorwaarden om de vrije markt te laten spelen.

In het liberalisme treft men twee stromingen aan. Ze hebben een andere visie op vrijheid, de aard van de mens en de rol van de overheid.

  • Het klassieke liberalisme is de oudste. Het huldigt het primaat van de negatieve vrijheid: de vrijheid om de eigen levenswijze te kunnen kiezen zonder belemmering van anderen.
  • Het moderne liberalisme of ontplooiingsliberalisme legt meer nadruk op de positieve vrijheid: de vrijheid om die keuzes ook daadwerkelijk te kunnen maken, dus o.a. te beschikken over de middelen die daarvoor nodig zijn.

De meeste hedendaagse liberalen zijn het erover eens dat zowel de negatieve als de positieve vrijheden belangrijk zijn. Echte keuzevrijheid veronderstelt niet alleen dat men niet gestraft kan worden voor zijn keuzes. Ze veronderstelt ook dat er echt iets te kiezen valt en dat men in staat is alternatieven af te wegen en te beoordelen.
De tegenstelling tussen moderne liberalen en socialisten is daarom minder groot dan tussen socialisten en klassieke liberalen.

Momenteel staat het liberalisme voor vier nieuwe uitdagingen: het milieu, de armoede en ongelijkheid, de maatschappelijke samenhang in een individualistische wereld en het probleem van de zingeving.
De meeste liberalen maken ten aanzien van deze kwesties pragmatische overwegingen. Niet elke vorm van moraliseren of van gedragssturing houdt onmiddellijk een vrijheidsbeperking in. Ze nemen een nuchtere houding aan en laten zich niet verleiden tot doemdenken.

Het hedendaagse liberalisme kampt met een paradox. In de moderne democratieën hebben de liberalen wel de ideeënstrijd gewonnen maar ze werden daar, electoraal gesproken, niet beter van. Overal in de Westerse wereld blijven liberale partijen eerder klein, in een aantal landen geraken ze niet in het parlement en in andere bestaan ze zelfs niet.


Bron: STOUTHUYSEN, P., Liberalisme. Het primaat van de individuele autonomie. – In: SANDERS, L & C. DEVOS (red.) Politieke ideologieën in Vlaanderen. p. 87-139.

zondag 14 juni 2009

Conservatisme

Het conservatisme heeft de reputatie dat het koppig weigert mee te gaan in om het even welke verandering. Van conservatieve partijen bestaat vaak het beeld dat ze niet alleen saai maar ook kortzichtig zijn. Dit is uiteraard een stereotypering, maar er zit een grond van waarheid in.

Het conservatisme beschouwt het geheel van de huidige, ons bekende vormen van menselijk samenleven als een harmonisch evenwicht dat het product is van eeuwenoude en niet geheel doorzichtige mechanismen. Die vormen van menselijk samenleven uiten zich in tradities en allerhande groepsvormingen (met voorop het gezin en het natieverband), in de gevestigde gezagsverhoudingen, religie en de gangbare zeden en gewoonten.

Conservatieven zijn – de naam zegt het zelf - behoudsgezind en staan op zijn minst sceptisch ten aanzien van nieuwe maatschappelijke tendensen of verwerpen ze resoluut. Ze vrezen een voortvarend beleid omdat er ontelbare mogelijkheden zijn waarop de dingen fout kunnen lopen maar slechts weinig manieren om alles efficiënt en doeltreffend te laten verlopen. Zij noemen het voorzichtigheid, tegenstanders spreken van inertie of koppigheid.

Het conservatisme huldigt een eerder pessimistisch mensbeeld. De mens is geneigd tot het kwade en moet dus beschermd worden tegen zichzelf. Interne controle moet aangekweekt worden door vorming van het geweten en er moet ook uitwendige controle zijn onder vorm van sociale druk en rechtsmiddelen (law and order).

Voor conservatieven gaat de gemeenschap vooraf aan het individu. Een individu ontleent zijn bestaansgrond aan de gemeenschap, zij het de natie, het volk, een cultuur. Conservatieven geloven niet in de maakbaarheid van de samenleving.
Traditionele religieuze gemeenschappen als de Amish en orthodoxe Joden maar ook de meeste nationalistische bewegingen zijn conservatief.


Bron: SANDERS, L, Politieke ideologieën. Inleiding – In: SANDERS L. & C. DEVOS, Politieke ideologieën in Vlaanderen. p. 54-57.


Rik Torfs in De Morgen (8 mei 2010): "Een conservatief is voor mij iemand met heimwee naar een verleden dat nooit heeft bestaan. Conservatieven zoeken een nestwarmte die er nooit is geweest."

woensdag 4 maart 2009

Dimensies van cultuur

In de eerste helft van de 20e eeuw ontstond binnen de sociale en culturele antropologie het besef dat alle samenlevingen, modern of traditioneel, voor dezelfde fundamentele problemen staan.

Vervolgens probeerde men te bepalen welke problemen alle samenlevingen met elkaar gemeen hebben. Op basis van theoretische inzichten, veldwerk en statistisch onderzoek kwamen volgende kwesties als wereldwijde gemeenschappelijke grondproblemen naar voor:

  1. Maatschappelijke ongelijkheid waaronder de houding ten opzichte van gezag.
  2. De verhouding tussen individu en groep.
  3. De gewenste rolverdeling tussen mannen en vrouwen en de emotionele gevolgen van het geboren worden als jongen of als meisje.
  4. Onzekerheid en onduidelijkheid, en het beheersen van agressie en het uiten van emoties.
  5. Het belang van de toekomst respectievelijk heden en verleden.
De antwoorden die een samenleving geeft op deze fundamentele vragen vormen samen de cultuur of de ongeschreven regels van het sociale spel. Iedere cultuur kenmerkt zich door een specifieke combinatie van antwoorden op deze kwesties. Daardoor verschillen culturen onderling ook van elkaar.Deze antwoorden situeren zich op een continuüm tussen twee polen van dezelfde dimensie.

Culturen onderscheiden zich van elkaar op volgende 5 dimensies:
  1. Kleine versus grote Machtafstand
  2. Individualisme vs Collectivisme
  3. Masculiniteit vs Feminiteit
  4. Sterke vs zwakke Onzekerheidsvermijding
  5. Lange- vs kortetermijngerichtheid
De meeste culturen bevinden zich voor elke dimensie tussen de twee uitersten en verenigen in meer of mindere mate kenmerken van beide polen. Cultuurdimensies zijn dus geen absolute maar relatieve grootheden.

Het culturele erfgoed van een samenleving wordt overgedragen door instituties zoals gezin, school en de staat. We vinden het terug in de waarden die de leden van een samenleving met elkaar delen. Die beïnvloeden o.a. de houdingen en verhoudingen op het werk en het reilen en zeilen in organisaties. Ze zijn niet rationeel van oorsprong. Ze leiden tot collectieve gedragspatronen die mensen uit andere samenlevingen afwijkend en onbegrijpelijk kunnen voorkomen.

Als culturen samen veranderen door een gemeenschappelijke oorzaak (bv. economische globalisering) kunnen hun onderlinge verschillen blijven bestaan.

Binnen een cultuur blijven deze antwoorden opmerkelijk stabiel. Verandering gebeurt aan de oppervlakte terwijl de diepere lagen onberoerd blijven.

Oplossingen uit een cultuur kunnen dus niet zonder meer geëxporteerd worden naar een andere. Dit hebben nagenoeg alle koloniale en imperiale mogendheden tot hun schade en schande ondervonden. Er is bijvoorbeeld na meer dan anderhalf millennium nog altijd een duidelijke scheidslijn tussen de samenlevingen en landen die al dan niet behoorden tot de invloedssfeer van het Romeinse Rijk.

Bron: HOFSTEDE, G. & G.J. HOFSTEDE, Allemaal andersdenkenden. p. 53-238.

Gelijker dan anderen

In iedere samenleving bestaat ongelijkheid. Zelfs in de eenvoudigste groep van jagers en verzamelaars zijn sommigen groter, sterker of slimmer dan andere. Sommige mensen krijgen vervolgens meer macht dan anderen en/of verwerven meer respect en rijkdom. De machtafstand in een bepaalde cultuur is het antwoord van die cultuur op het fundamentele probleem dat mensen ongelijk zijn.

Macht kan echter alleen uitgeoefend worden bij de gratie van afhankelijkheid. Machtafstand binnen een cultuur is dus de mate waarin de minder machtige leden van instituties of organisaties in een land verwachten en accepteren dat de macht ongelijk verdeeld is

In een cultuur met grote machtafstand worden leiders die minder ongelijkheid voorstaan vaak relatief snel afgevoerd ten voordele van leiders die ongelijkheid bekrachtigen.

De minder machtige leden van een dergelijke samenleving kunnen op twee manieren omgaan met die ongelijkheid: door afhankelijkheid en contra-afhankelijkheid of tegendraadsheid (bv. sabotage, overdreven klachten).

Ongelijkheid binnen een samenleving wordt zichtbaar door het bestaan van verschillende sociale klassen. Sociale klassen hebben in verschillende mate toegang tot de verworvenheden van een samenleving. Een opmerkelijke vaststelling van sociologen is dat lager opgeleiden meer autoritaire waarden huldigen dan hoger opgeleide landgenoten en aldus de ongelijkheid in stand houden.

In een cultuur met grote machtafstand wordt van kinderen, studenten en burgers verwacht dat zij gehoorzamen en respect verschuldigd zijn aan ouders, leerkrachten en hogergeplaatsten. Superieuren en ondergeschikten beschouwen elkaar als fundamenteel ongelijk. In organisaties is de macht vaak geconcentreerd bij een paar personen, van wie de ondergeschikten verwachten dat ze hen vertellen wat en hoe ze moeten doen. Zichtbare statussymbolen dragen bij tot de autoriteit van de chefs.

In culturen met een kleine machtafstand worden kinderen, studenten en burgers principieel beschouwd als gelijken. Van kinderen wordt verwacht dat ze zo snel mogelijk hun eigen boontjes doppen. Actief experimenteren wordt aangemoedigd.

Een hiërarchisch systeem is alleen maar een ongelijkheid in rollen, uit praktische overwegingen ingesteld. Die rollen kunnen veranderen, zodat iemand die vandaag mijn ondergeschikte is morgen mijn chef kan zijn. Statussymbolen zijn verdacht.

In landen met grote machtafstand is niet iedereen gelijk voor de wet. Wie meer macht heeft, heeft ook meer privileges, en kan zich meer corruptie veroorloven zonder dat zijn positie in gevaar komt. Er zijn grotere inkomensverschillen die door het belastingsysteem verder vergroot worden.

Bij kleine machtafstand moet het gebruik van macht legitiem zijn verantwoord kunnen worden. De inkomensverschillen zijn kleiner en door belastingen worden ze verkleind. Hoewel ongelijkheid onvermijdelijk is, wordt ze fundamenteel als onwenselijk beschouwd en met behulp van politieke middelen ongedaan gemaakt of verminderd.


Terug naar Dimensies van cultuur

Ik, wij en zij

Een volgende kwestie voor iedere samenleving is hoe zwaar de belangen van een individu wegen ten opzichte van de groep, of hoe sterk de band moet zijn tussen een volwassen persoon en de groep of groepen waartoe hij behoort.

Verreweg de meeste mensen in deze wereld leven in samenlevingen waarin het groepsbelang boven het individuele belang wordt gesteld. Zulke samenlevingen worden collectivistisch genoemd. Collectivisme verwijst niet naar de macht van de staat, maar naar de macht van de groep.

De eerste groep waarmee we ons leven te maken hebben is altijd het gezin of de familie waarin we geboren zijn. In de meeste collectivistische samenlevingen is de extended family gebruikelijk: niet alleen ouders en andere kinderen, maar ook grootouders, ooms, tantes, bedienden of andere huisgenoten. Kinderen die in dergelijke omstandigheden opgroeien, leren over zichzelf te denken als deel van een wij-groep (ingroup). Ze hebben dat niet zelf gekozen, het is een natuurlijk gegeven. De leden van de wij-groep onderscheiden zich van andere mensen in de samenleving die behoren tot een van vele zij– of zullie-groepen (outgroups). De wij-groep bepaalt in belangrijke mate de identiteit en is bij tegenslagen de enige bron van veiligheid en bescherming. Daarom hoort men zijn leven lang loyaal te blijven aan de wij-groep. Een inbreuk op die loyaliteit is een zware zonde. Tussen de persoon en de groep bestaat er een wederzijdse materiële én psychologische afhankelijkheidsrelatie.

Een kleiner deel van de mensheid leeft in samenlevingen waarin de belangen van het individu boven die van de groep staan. Deze samenlevingen worden individualistisch genoemd. Hier worden de meeste kinderen geboren in gezinnen die uitsluitend bestaan uit de ouders en eventuele broers of zusters: het kerngezin. In dergelijke families leren kinderen snel over zichzelf denken als ‘ik’ en onderscheiden van andere mensen. Die mensen worden niet ingedeeld op grond van het horen tot een groep maar op grond van hun persoonlijke eigenschappen. Relaties worden aangegaan op basis van persoonlijke voorkeur. Van een gezonde persoon in dit type samenleving verwacht men noch materiële, noch psychologische afhankelijkheid van een groep.

Een samenleving is individualistisch als de onderlinge banden tussen individuen los zijn: iedereen wordt geacht uitsluitend te zorgen voor zichzelf en voor zijn of haar naaste familie. Een samenleving is collectivistisch wanneer individuen vanaf hun geboorte opgenomen zijn in sterke, hechte groen, die hun levenslang bescherming bieden in ruil voor onvoorwaardelijke loyaliteit.

In een omgeving met intens en constant sociaal contact wordt het bewaren van harmonie met je sociale omgeving een belangrijke deugd, die ook voor andere levenssferen dan de familie geldt. In de meeste collectivistische culturen wordt het als onbeschoft en onwenselijk beschouwd om een directe confrontatie aan te gaan. Het woord ‘nee’ wordt zelden gebruikt, omdat nee zeggen een confrontatie is. ‘Misschien heb je gelijk’ of ‘we zullen erover denken’ zijn voorbeelden van beleefde manieren om een verzoek af te wijzen.

Kinderen leren om hun mening te vormen op basis van die van anderen. Persoonlijke meningen bestaan niet: zij worden ontleend aan de groep. Van een kind dat herhaaldelijk ideeën verkondigt die afwijken van de opvattingen van de groep, vindt men dat het een slecht karakter heeft.

Het onderscheid tussen ‘wij’ en ‘zij’ in collectivistische samenlevingen, dat in de familiesfeer begint, wordt voortgezet op school. Leerlingen uit collectivistische culturen zijn minder geneigd zich te onderscheiden door middel van individuele prestaties. Ze onderdrukken soms hun capaciteiten om andere leerlingen uit dezelfde subgroep niet te beschamen.

Naast harmonie is schaamte immers een belangrijke notie in de collectivistische familie. Ais iemand uit een groep de regels van de samenleving heeft overtreden, zullen alle leden van die groep zich schamen, op grond van een gevoel van collectieve verplichting.

Ook op het werk primeert in collectivistische samenlevingen de groep op het individu. Omdat het onderscheid tussen ‘onze groep’ en ‘andere groepen’ diep geworteld is in het bewustzijn, is het vanzelfsprekend en ethisch verantwoord om je vrienden en familie beter te behandelen dan anderen. De persoonlijke relatie gaat voor de taak.

In collectivistische landen wordt het economische leven vooral door groepsbelangen en soms door de overheid gedomineerd. Hoe zwakker het individualisme is in de mentale programmering van de burgers, des te groter is de kans dat de staat een belangrijker rol speelt in het leven van de burgers.

In de individualistische familie wordt van kinderen verwacht dat zij een eigen mening gaan vormen, en zij worden daartoe aangemoedigd. Van een kind dat altijd alleen maar de mening van anderen vertolkt, zegt men dat het een zwak karakter heeft.

Het is een deugd om te zeggen wat men denkt. Het kenmerk van een eerlijk en oprecht persoon is om zijn of haar ware gevoelens te tonen. Confrontatie kan heilzaam zijn. Men moet wel rekening houden met het effect van een mededeling op de andere, maar dit rechtvaardigt nog geen verdraaiing van de feiten. Volwassen mensen worden geacht in staat te zijn om kritiek constructief te verwerken. Conflicten zijn een normaal bestanddeel van het familieleven.

Individualistische samenlevingen zijn schuldculturen: personen die zich niet houden aan de regels van hun samenleving, voelen zich vaak schuldig. Zij laten zich leiden door een persoonlijk geweten, dat functioneert als een innerlijke gids.

Op het werk gaat de taak voor de persoonlijke relatie. In individualistische culturen beschouwt men het als onethisch om bepaalde klanten of werknemers een voorkeursbehandeling te geven.

Het recht op privacy is een centraal thema in veel individualistische landen, maar het ontmoet minder sympathie in collectivistische culturen waar men het normaal en goed vindt dat de wij-groep ten allen tijde beroep kan doen op het privéleven van de leden.
Mensen uit collectivistische culturen voelen zich vaak verloren en onbeschermd als ze als individu moeten functioneren.


Gerelateerde artikels:



Terug naar Dimensies van cultuur

Man, vrouw en m/v

In iedere samenleving zijn de biologische verschillen tussen mannen en vrouwen dezelfde. Maar hun sociale rollen worden maar gedeeltelijk door biologische factoren bepaald. Antropologen vonden een grote variatie in sekserollen in traditionele samenlevingen. Ondanks deze variëteit zien we in de meeste samenlevingen, zowel traditionele als moderne, een gemeenschappelijke trend in de verdeling van sociale sekserollen. In het algemeen wordt prestatiegerichtheid, assertiviteit en competitiviteit meer als mannelijk beschouwd, en zorgzaamheid, bescheidenheid en aandacht voor relaties als vrouwelijk.


Samenlevingen kunnen verschillen in de mate waarin zij waarde hechten aan deze genderspecifieke eigenschappen en gedragspatronen. Natuurlijk situeren de meeste culturen zich ook hier op het continuüm tussen beide polen.

Een samenleving is masculien als de emotionele sekserollen duidelijk gescheiden zijn: mannen worden geacht assertief en hard te zijn en gericht op materieel succes; vrouwen horen bescheiden en teder te zijn en vooral gericht op de kwaliteit van het bestaan.

Een samenleving is feminien als emotionele sekserollen elkaar overlappen: zowel mannen als vrouwen worden geacht bescheiden en teder te zijn en gericht op de kwaliteit van het bestaan.


In vrijwel alle samenlevingen hebben de mannen, die gemiddeld groter en sterker zijn en vrijer om zich te bewegen, het sociale leven gedomineerd.

Deze dimensie heeft geen betrekking op het aantal buitenshuis werkende vrouwen, maar wel op de waardering voor werk dat ‘feminiene’ waarden inhoudt en over de toegankelijkheid voor vrouwen tot beroepen die traditioneel als mannelijk worden beschouwd. In meer feminiene samenlevingen zijn er meer vrouwen die hogere technische en professionele functies vervullen dan in masculiene maatschappijen. In masculiene samenlevingen wordt competitiviteit en prestatie op het werk hoger gewaardeerd dan in feminiene. In de laatste werkt men om te leven, in de eerst leeft men om te werken.


Als ze rijk genoeg zijn volgen mannen en vrouwen in feminiene landen vaker dezelfde studies dan in masculiene landen. In masculiene landen geven vooral vrouwen les aan jonge kinderen en vooral mannen aan universiteiten. In feminiene landen zijn de rollen meer gemengd en hebben kleine kinderen soms ook een mannelijke leerkracht.


Landen met een masculiene cultuur streven naar een prestatiemaatschappij, feminiene landen naar een welvaartsmaatschappij. Het beleid van meer feminiene landen besteedt meer aandacht en middelen aan gezondheidszorg, onderwijs en armoedebestrijding dan in masculiene landen.

De tegenstelling tussen prestatie en welzijn wordt weerspiegeld in de meningen over de oorzaken van armoede. In masculiene landen geloven meer mensen dat het lot van de armen hun eigen schuld is, dat als ze harder zouden werken ze niet arm zouden zijn, en dat de rijken zeker niet hoeven te betalen om hen te helpen.


Wereldwijd is er een duidelijk positief wederkerig verband tussen armoede en masculiniteit. Hoe meer van het ene, des te meer van het andere. Voor onze gemeenschappelijke toekomst is dit slecht. Het behoud van het wereldmilieu vereist een wereldwijde verzorgende mentaliteit. Dit is een heel goede reden om krachtig te streven naar een eerlijke verdeling van middelen over de hele wereldbevolking.


Deze dimensie beïnvloedt de opvattingen over de behandeling van immigranten. Het publiek in meer masculiene (en armere) landen wil assimilatie, in meer feminiene (en rijkere landen) kiest men voor integratie.

Ook de houding tegenover (internationale) conflicten verschilt. In masculiene landen zoals Engeland, Ierland en de VS bestaat sympathie voor het idee dat conflicten moeten worden opgelost door een goed gevecht. Feminiene culturen/landen hebben een voorkeur voor onderhandelingen en compromissen als oplossing van een conflict.


Terug naar Dimensies van cultuur

Wat anders is, is gevaarlijk

Allemaal worden we geconfronteerd met het feit dat we niet weten wat er morgen zal gebeuren: de toekomst is onzeker en toch moeten we gewoon doorleven. Extreme onzekerheid veroorzaakt ondraaglijke spanning. Iedere samenleving beschikt over manieren om deze spanning te verlichten. Dit gebeurt via techniek, wetgeving en religie. Techniek – van de meest primitieve tot de meest geavanceerde – helpt onzekerheden te vermijden die door de natuur worden veroorzaakt. Wetten en regels proberen onzekerheden in het gedrag mensen te voorkomen. Religie helpt ons de onzekerheden te accepteren waartegen we ons niet kunnen beschermen en sommige godsdiensten bieden de uiteindelijke zekerheid van een leven na de dood.


Onzekerheid is in wezen een subjectieve ervaring, een gevoel. Gevoelens van onzekerheid zijn niet alleen eigen aan een persoon, maar worden tot op zekere hoogte gedeeld met andere leden van dezelfde samenleving. Gevoelens van onzekerheid worden overgedragen in de verschillende socialisatie-instituties.


Onzekerheidsvermijding is de mate waarin de dragers van een cultuur zich bedreigd voelen door onzekere of onbekende situaties. Dit gevoel wordt onder andere uitgedrukt in stress en in een behoefte aan voorspelbaarheid door formele en informele regels. Deze regels moeten niet zozeer risico’s uitschakelen maar wel onduidelijkheid reduceren.


Onzekerheidsvermijdende culturen lebben een hekel aan onduidelijkheid. Daarom is structuur in organisaties, instituties en relaties belangrijk die zorgt dat gebeurtenissen ondubbelzinnig en voorspelbaar worden. Dit kan leiden tot regels of tot ambtelijke gedragingen die uiteindelijk onzinnig, inconsistent of contraproductief zijn of niet eens gehoorzaamd worden (net als religieuze geboden). Soms onderneemt men zelfs riskante acties om onduidelijkheid te reduceren, bijvoorbeeld het gevecht met een potentiële vijand in plaats van af te wachten.


Gezinsactiviteiten worden goed gestructureerd en van kinderen wordt verwacht dat zij luisteren naar hun ouders en hen gehoorzamen. Docenten worden geacht deskundig te zijn en alle antwoorden te weten. Personaliteiten die zich bedienen van cryptisch academisch jargon staan in hoog aanzien, evenals personen met ronkende titels. Wie zich in Duitsland of Italië doctor kan noemen noemt is verzekerd van gezag. Franse wetenschappelijke geschriften bevatten soms zinnen van meer dan een halve pagina.


Nieuwe producten en informatie hebben in onzekerheidsvermijdende culturen een langere aanlooptijd nodig omdat klanten langer aarzelen ze te gebruiken.

In culturen met een sterke onzekerheidsvermijding vinden we meer intolerante politieke ideologieën. Xenofobie is er helemaal niet uitzonderlijk: ‘Wat anders is, is gevaarlijk.’ Kinderen leren al vroeg dat bepaalde categorieën mensen, maar ook ideeën vies zijn en taboe.


In culturen met zwakke onzekerheidsvermijding is het angstniveau relatief laag. Niet alleen bekende maar ook onbekende risico’s worden geaccepteerd (bijvoorbeeld de gevolgen van een verandering van baan en dingen doen waarvoor geen regels bestaan).

Men heeft er vaak juist een emotionele afkeer van formele regels. Regels moeten alleen worden ingesteld waar het absoluut noodzakelijk is. Veel problemen kunnen zonder regels worden opgelost. Ambiguïteit en chaos worden soms aangeprezen als voorwaarden voor creativiteit.

In landen met een zwakke onzekerheidsvermijding overheerst het gevoel dat als wetten niet werken, ze moeten worden ingetrokken of veranderd.


Studenten accepteren er een docent die zegt: ‘Ik weet het niet.’ Zij hebben waardering voor docenten die gewone taal gebruiken en voor boeken waarin moeilijke zaken eenvoudig worden uitgelegd. Er is meer intellectuele tolerantie en meningsverschillen vindt men in deze culturen juist stimulerend. Intolerante politieke ideologieën krijgen moeilijker een voet aan de grond.

Onbekende situaties, mensen en ideeën het voordeel van de twijfel. In culturen die zich in het midden tussen de twee polen bevinden wordt anders soms als ‘gek’ benoemd.


Terug naar Dimensies van cultuur

Vroeger, nu of later?

Een vijfde dimensie van cultuur heeft betrekking op de vraag wat er belangrijker is: de toekomst, het heden of het verleden. In langetermijngerichte culturen streven mensen naar op beloningen in de de toekomst, in kortetermijngerichte culturen wordt hun doen en laten vooral bepaald door actuele bekommernissen en traditie.


In langetermijnculturen hecht men waarde aan volharding en spaarzaamheid en geduld. Kinderen wordt al vroeg geleerd te ‘wachten’, de bevrediging van behoeften uit te stellen. Gretigheid wordt afgekeurd, matigheid en soberheid zijn belangrijk vooral in het licht van toekomstige uitkomsten. Een pragmatische instelling is belangrijk, alsook flexibiliteit en aanpassingsvermogen. Deze waarden vormen de kern van de meeste Oosterse religies en filosofieën. Men streeft er naar Deugd.


De waarden van langetermijnculturen bevorderen ondernemerschap. Volharding is voor een beginnende ondernemer immers een noodzakelijke eigenschap. Spaarzaamheid leidt tot de vorming van een kapitaal dat gebruikt kan worden voor nieuwe investeringen.

Langetermijngerichte culturen investeren meer in onderwijs en opleiding. Omdat men er minder op hier-en-nu straffen is gericht maar op heropvoeding, is de gevangenisbevolking er beduidend kleiner.


In kortetermijnculturen laat men zich eerder leiden door traditie en principes. Korte maar soms hevige inspanningen worden geleverd in functie van snelle resultaten. Indien die tegenvallen probeert men met zo weinig mogelijk moeite nieuwe en/of betere uitkomsten te bekomen. In kortetermijnculturen spiegelt men zich gemakkelijker aan anderen (de buren). Er is sociale druk om geld uit te geven voor sociale verplichtingen en in functie van het oordeel van anderen en voor standsuitgaven. Men hecht meer belang aan vrije tijd, succes en genieten, en het volgen van trends.


Religieus, politiek en economisch fundamentalisme (de Waarheid en de Markt) zijn bij uitstek kenmerken van kortetermijngerichtheid en agressieve vijanden van langetermijndenken. Zij baseren zich op het verleden, en om aan hun aandeel in de verantwoordelijkheid van de toekomst te ontsnappen, plaatsen zij die in de handen van God of van de Markt. Op veel plaatsen in de wereld vormt bijvoorbeeld overbevolking een directe dreiging voor vrede, gezondheid en rechtvaardigheid. Bruikbare methoden voor geboortebeperking bestaan, maar religieuze en economische fundamentalisten proberen in een merkwaardige consensus te verhinderen dat zij wereldwijd beschikbaar komen.


De toekomst is bovendien per definitie een langetermijnprobleem. De wijze waarop landen met deze uitdaging omgaan is een graadmeter voor hun lange- versus kortetermijngerichtheid. Verantwoordelijk denken over de lange termijn kan niet om de conclusie heen dat in een eindige wereld iedere groei zijn grenzen heeft. De wereldbevolking kan niet eeuwig toenemen, er zijn grenzen aan de belasting van het milieu en ook de economie van een land kan niet eindeloos groeien.


Nagenoeg alle ver-aziatische landen scoren hoog op langetermijngerichtheid. De Europese landen bevinden zich rond het gemiddelde. Angelsaksische landen (de VS op kop) scoren dichter bij de kortetermijnpool (geld moet rollen), net als Afrikaanse landen en de Filippijnen en Pakistan.


Kortetermijngerichtheid lijkt typisch voor veel Afrikaanse landen. Deze landen slagen er maar niet in om zich uit de armoede op te werken. Bijna alle Afrikaanse landen werden afhankelijk van buitenlandse hulp en van leningen door het IMF. Volgens Joseph Stiglitz, voormalig chef-econoom van de Wereldbank en winnaar van de Nobelprijs voor economie in 2001, zijn de economische problemen in Afrika versterkt door de voorwaarden die het IMF in zijn leningen verbond. Nog meer dan de Wereldbank is het IMF een centrum geworden van kortetermijngericht marktfundamentalisme. Dit leidde tot een nadruk op budgetdiscipline ten koste van onderwijs, gezondheidszorg en infrastructuur, en tot gedwongen liberalisatie van importen, terwijl tegelijk de westerse markten gesloten bleven voor Afrikaanse exporten, wat de ondergang :betekende voor veel beginnende ondernemingen. Eigenlijk waren de adviseurs van het IMF net zo sterk gevangen in kortetermijndenken als hun Afrikaanse cliënten.


Terug naar Dimensies van cultuur

maandag 16 februari 2009

Vijf regimes van tolerantie

Historisch gezien zijn er in het Westen vijf politieke regelingen of regimes (geweest) die tolerantie bevorder(d)en. Mengvormen van de verschillende regimes zijn ook mogelijk.

Geen enkele ervan kan men beter of superieur noemen aan de andere. Het ene regime kan als meer of minder tolerant omschreven worden dan het andere met betrekking tot bepaalde criteria, maar dit betekent niet dat het ene moreel beter is dan het ander.


1. Multinationale rijken

Uit de geschiedenis kennen wij het Perzische, Ptolemeïsche en Romeinse Rijk. Ook het rijk van Karel de Grote kan hieronder gerekend worden. In de Euro-Aziatische wereld was het Ottomaanse Rijk het voorlaatste, de USSR het laatste.

In deze rijken leven verschillende groepen inwoners als autonome of semi-autonome gemeenschappen. Ze hebben hun eigen cultureel en religieus karakter en meestal ook hun eigen politieke organisatie en wettelijke regelingen, en kunnen in grote mate hun eigen activiteiten bepalen. De interacties tussen de verschillende gemeenschappen worden bepaald en geregeld door de ambtenaren van het rijk. Die komen normaal gesproken niet tussen in de dagelijkse gang van zaken binnen de autonome gemeenschappen, zolang zij maar belastingen betalen en de vrede gehandhaafd blijft.

De verschillende gemeenschappen zijn voor hun voortbestaan niet afhankelijk van de acceptatie door andere gemeenschappen. Deze wordt verzorgd door de officiële tolerantie van het rijk, die voornamelijk wordt gehandhaafd in het belang van vrede.

Multinationale rijken zijn historisch gezien de meest succesvolle manier om vreedzame coëxistentie te bereiken tussen zeer diverse en soms antagonistische groepen. Het is echter geen liberale en democratische manier, maar een imperiale versie van multiculturalisme. Het incorporerende regime is autocratisch, en kan zelfs op wrede wijze onderdrukkend zijn.

Binnen dit regime zijn de gemeenschappen meestal gesloten. Individuen zijn in de eerste plaats lid van een groep, en worden verplicht tot een of andere versie van religieuze orthodoxie en een traditionele manier van leven. Ze worden opgesloten in hun gemeenschappen en aldus in een afzonderlijke etnische of religieuze identiteit.

Na de val van dergelijke rijken ontwikkelden de verschillende gemeenschappen snel een soort staatsapparaat om soevereine macht te verwerven op basis van een nationalistische ideologie. Zie de verschillende oorlogen in de voormalige Sovjetstaten van de USS.


2. Internationale samenleving

Binnen de internationale samenleving worden alle groepen getolereerd die een staat hebben gevormd, samen met alle praktijken (met bepaalde beperkingen) die zij toelaten. Tolerantie tussen staten is een essentieel kenmerk van soevereiniteit.

De akkoorden die tussen staten worden gesloten zijn daden van tolerantie. Diplomatieke regelingen en routines kunnen beschouwd worden als de formaliteit van tolerantie.

Maar soevereiniteit kent ook haar grenzen. Daden en gebruiken die getuigen van barbarisme worden uit principe niet getolereerd. Interventies van staten in andere staten op humanitaire gronden zijn echter niet verplicht, ze gebeuren op eigen initiatief.

De internationale gemeenschap kan wel delibereren over dergelijke interventies en state kunnen daarover (tijdelijke) overeenkomsten sluiten. Humanitaire interventies kunnen behalve bij middel van militaire ook met economische sancties gebeuren.


3. Consociaties of federatieve staten

In deze constructie vormen verschillende gemeenschappen één staat zonder het overkoepelend bestuur van een imperiale buitenstaander. Tussen of onder de partijen wordt onderhandeld over een grondwettelijke regeling, de constructie van instituten, de verdeling van ambten en een politiek akkoord dat hun uiteenlopende belangen behartigt.

De consociatie is gebaseerd op de grondwettelijk beperkte dominantie van een van de partijen of op hun globale gelijkheid.

Meestal leefden de gemeenschappen al samen of naast elkaar voor zij met hun offficiële onderhandelingen begonnen. Een consociatie is dus geen volledig vrije constructie, maar een noodzaak tot vreedzame coëxistentie. Consociatie is een heroïsch programma. De verschillende groepen worden immers niet getolereerd door een enkele overstijgende macht maar zij moeten elkaar tolereren en onderling de voorwaarden van hun coëxistentie uitwerken. Wederzijdse tolerantie hangt af van vertrouwen, niet zozeer in elkaars goede wil maar in de institutionele regelingen die beschermen tegen de gevolgen van slechte wil.

Het meest stabiel zijn staten waar de verschillende groepen alle veilig in hun eigen ruimte zitten, bv. Zwitserland. Maar als de grenzen minder dudelijk zijn en de groepen in elkaars vaarwater komen ontstaat er angst voor verstoring van het evenwicht en kunnen federatieve staten uit elkaar vallen.

Het gevaar dat gevreesd wordt is dat de consociatie zal veranderen in een natiestaat, waarin één partij een minderheid zal worden. Die kan er dan alleen op hopen te worden getolereerd door de voormalige partner die de tolerantie van de minderheidspartij niet langer meer behoeft.

In Libanon is de consociatie ingestort. België verkeert al een paar decennia op het scherp van de snee.


4. Natiestaten

Tegenwoordig is de natiestaat het meest waarschijnlijke regime van tolerantie: een groep, dominant in het gehele land, geeft vorm aan het openbare leven en tolereert een nationale of religieuze minderheid
In de natiestaat organiseert een dominante groep het gemeenschappelijke leven op een manier die haar eigen geschiedenis en cultuur weerspiegelt. Deze meerderheid is permanent, zet haar eigen geschiedenis voort en houdt haar eigen cultuur in stand. Een dergelijke staat kan, zoals liberale en democratische staten meestal doen, minderheden tolereren. Tolerantie in natiestaten is echter meestal niet gericht op groepen, maar op hun individuele leden. Die worden over het algemeen in de eerste plaats als burgers beschouwd en pas daarna als leden van deze of gene minderheid.

Religie, cultuur en geschiedenis van een minderheid zijn aangelegenheden voor het particulier collectief. Tegenover het particulier collectief staat de natiestaat altijd wantrouwend.

Een uiterst belangrijk gebied waar de norm van de natiestaat zowel wordt opgelegd als bestreden is de taalpolitiek. De meerderheidsnatie eist gewoonlijk dat nationale minderheden haar taal leren en die in alle openbare aangelegenheden gebruiken.

In natiestaten, zelfs in liberale, is minder ruimte voor anderszijn dan in multinationale rijken of consociaties, en uiteraard veel minder dan in internationale gemeenschappen. De natiestaat is echter vooral minder tolerant tegenover groepen, en kan groepen heel goed dwingen om meer tolerant te staan tegenover individuen. Groepen worden er immers beschouwd als vrijwillige samenwerking. Niemand hoeft tot een groep te behoren, hij maakt immers in principe deel uit van de natiestaat.

Ten tijde van oorlog zal de loyaliteit van de nationale minderheden aan de natiestaat snel in twijfel worden getrokken. Tolerantie verdwijnt als de anderen gevaarlijk overkomen of als demagogische nationalisten erin slagen hen als gevaarlijk te laten overkomen. Zie Duitsland voor en tijdens WOII.

Tolerantie in een natiestaat gaat dus enkel uit van de meerderheid, de minderheid wordt getolereerd en verkeert dus in de zwakste positie.


5. Immigratielanden

In het immigratieland hebben de leden van de verschillende groepen hun territoriale basis, hun vaderland verlaten; alleen of met hun familie zijn zij in dat nieuwe land aangekomen en ze zijn er overal gaan wonen. Indien etnische en religieuze groepen zich willen handhaven, moeten zij dat doen als puur vrijwillige samenwerkingsverbanden. Daardoor lopen zij meer risico op onverschilligheid van hun leden dan op de intolerantie van anderen.


De staat is in beginsel neutraal tegenover allen en tolerant ten opzicht van alle groepen. Alle burgers worden als individuen beschouwd en niet zozeer als leden van een groep. Tolerantie gaat daarom strikt gezien over individuele keuzen en expressies. Tolerantie krijgt een volslagen gedecentraliseerde vorm: iedereen moet alle anderen tolereren.

Aan geen enkele groep wordt in een immigratieland toegestaan zich zodanig te organiseren dat zij controle kan krijgen over openbare ruimtes of openbare fondsen kan monopoliseren. Er wordt van uitgegaan dat de staat volkomen onverschillig staat ten opzichte van de groepscultuur en evenveel steun verleent aan alle groepen. Toch worden sommige groepen begunstigd boven andere, omdat ze een betere uitgangspositie hebben, bv. de Angelsaksische protestantse groepen in de VS.

In een immigratieland hebben veel mensen dan ook een dubbele identiteit op basis van politieke of culturele scheidingslijnen - bijvoorbeeld Afro-Amerikaans, of Italo-Amerikaans (volgorde afhankelijk van wat in de context belangrijkst is). De politieke identiteit is daarbij het meest belangrijk. De culturele identiteit moet gehandhaafd worden in de particuliere sfeer door de vrijwillige inspanningen van de burgers. Voorbeelden bij uitstek zijn Canada, de Verenigde Staten, Australië en Nieuw-Zeeland.

Bron: WALZER, M, Tolerantie, p. 23-49.

donderdag 20 maart 2008

Over opiniepeilingen

Opiniepeilers zijn de moderne waarzeggers geworden die de peilingsresultaten met evenveel gewichtige ernst ontcijferen als hun voorauders dat deden met de ingewanden van kippen.
F. Zakaria (p. 19)

Design by The Blogger Templates

Design by The Blogger Templates